Het voedsel dat we eten bestaat uit drie hoofdgroepen van bouwstoffen: eiwitten, koolhydraten en vetten. Daarnaast bevat het kleinere hoeveelheden microbouwstoffen: vitaminen en mineralen, die van belang zijn voor het lichaam om te kunnen groeien, te genezen en te blijven functioneren. De belangrijkste dieetprogramma´s die op de markt zijn, verschillen in de hoeveelheid van elke (bouw)stof wordt aanbevolen.
In de tweede helft van de 20e eeuw bevolen artsen en voedingsdeskundigen meestal een vetarm, koolhydraatrijk dieet aan om het hart en het spijsverteringssysteem gezond te houden. Er werd een voedselpiramide opgesteld om hun aanbevelingen te vereenvoudigen. Het advies was dat het dagelijkse dieet van een volwassene de volgende voedingsmiddelen moest bevatten:
6-11 porties brood, granen, rijst en pasta
3-5 porties groenten
2-4 porties fruit
2-4 porties zuivelproducten (melk, yoghurt en kaas)
2-3 porties eiwitten (vlees, gevogelte, vis, bonen, eieren en noten)
beperkte hoeveelheden vetten, oliën en snoep
Dit niet bepaald koolhydraatarm dieet werd ontworpen om te voorzien in voldoende vitaminen en mineralen voor een goede gezondheid, genoeg vezels om het spijsverteringssysteem goed te laten werken, een kleinere hoeveelheid eiwitten dan de meeste mensen in de westerse wereld waren gewend (om zodoende hun consumptie van ´slechte´ dierlijke vetten te beperken), en een drastische beperking van vetten en oliën, die in vergelijking veel meer calorieën bevatten dan andere voedingsmiddelen.
Al in begin 1972 vertelde Dr. Robert C. Atkins hen dat ze het allemaal bij het verkeerde eind hadden. In zijn eerste boek, Dr. Atkins´ Dieetrevolutie, werd een koolhydraatarm dieet aanbevolen waarmee de voedselpiramide praktisch op zijn kop werd gezet. Men kon onbeperkte hoeveelheden volle eiwitten eten maar geen brood, granen, pasta, rijst of fruit, en een kleine hoeveelheid groenten. Naderhand heeft hij in daaropvolgende boeken zijn mening weliswaar bijgesteld om ook enkele granen, fruitsoorten en meer groenten toe te laten, maar de basis van veel eiwitten en weinig koolhydraten bleef ongewijzigd.
De reactie van het overgrote deel van het medische establishment toentertijd – en in de drie decennia erna – was afwijzend. Veel artsen beweerden dat dit koolhydraatarm dieet hartaandoeningen, hartaanvallen, nierziekten, ondervoeding en allerlei soorten levensbedreigende ziekten konden veroorzaken. Maar Dr. Atkins bleef voet bij stuk houden, waarmee de strijd was losgebarsten.
In de jaren ´80 en ´90 probeerden veel mensen vetarme, koolhydraatrijke diëten uit volgens uit volgens de aanbevelingen die door de overheid waren goedgekeurd. Sommigen slaagden er inderdaad in hun ideale gewicht te bereiken, maar velen lukte het niet. Zij merkten dat het gewichtsverlies na een eerste daling drastisch afnam en dat de kilo´s we zelf weer aankwamen. Zij hadden vaak last van een hongergevoel en kregen zin in bepaalde voedselproducten. Bovendien vonden ze het moeilijk om in restaurants te eten omdat ze bij de overs steeds uitgebreid moesten informeren op welke manier elk gerecht werd bereid.
Langzamerhand begonnen steeds meer specialisten de aanpak van Dr. Atkins opnieuw te bestuderen, om het vervolgens eens te worden met enkele van zijn theorieën. De afgelopen paar jaar hebben cardiologen nog meer geavanceerde tests ontwikkeld om het vetgehalte in het bloed te meten, en zijn vertrouwden niet meer alleen op de basischolesteroltest die hen er aanvankelijk van had overtuigd dat het gebruik van dierlijke vetten zou moeten worden beperkt. In feite blijkt zelfs dat voor maar liefst een derde van de wereldbevolking een vetarm dieet meer kwaad dan goed zou doen. Toch blijven cardiologen onvermurwbaar in de stelling dat het soort vet dat wordt geconsumeerd, van wezenlijk belang is.
Laten we de chemische kwesties waarover zij discussiëren eens beter bekijken.